Hollandse Louis XV porseleinkast
Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag
Verzendt vanuit Nederland
Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag
Een beker met een slanke balustervormige voet en een klokvormige cuppa met een deksel bekroond door een allegorisch figuur. De cuppa is gegraveerd met 7 wapens en namen.
Deze namen komen overeen met de deken en hoofdlieden van het schippersgilde te Schiedam in 1754. De latere gravering op de voet duidt op een verblijf in Engelse verzamelingen in de 19de eeuw.
Gildebokalen in Schiedam
Er zijn nog drie zilveren bokalen van Schiedamse gilden bekend. Die van het Sint Nicolaas of Kramersgilde en die van het St. Barbara of Metselaarsgilde nu in het Stedelijk museum te Schiedam en deze bokaal van het Schippersgilde.
De opdrachten om deze bekers te vervaardigen zijn allen verstrekt aan Pieter van Gilse. Pieter van Gilse werd omstreeks 1715 geboren te Schiedam als zoon van Jan van Gilse en Aagje Schouten. Op 15 december 1747 trouwde hij met Johanna Bosschaart. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren , te weten Jan Hendrik die op 15 september 1748 werd gedoopt en Agatha Engelina die op 17 december 1751 werd gedoopt. Hoewel zijn beide kinderen hervormd gedoopt werden, en hij hervormd getrouwd was, werd hij pas op 29 november 1758 op zijn belijdenis als lidmaat van de Hervormde gemeente aangenomen. Mogelijk was hij van oorsprong Remonstrant. Dat geeft meteen een verklaring voor het feit dat zijn eigen doop niet in de in Schiedam aanwezige doopboeken te vinden is. (Schiedam kende geen Remonstrantse gemeente)
Pieter van Gilse was in de periode 1740 tot 1780 afwisselend een der hoofdmannen van het Sint Nicolaas-of Kramersgilde, het gilde waar de neringdoenden verenigd waren. Uit de administratie van het gilde wordt niet duidelijk welk beroep Pieter van Gilse uitoefende. In 1748 geeft hij als beroep zilversmid op. Na 1780 veranderde hij dit in gaarder van de gemenelandsmiddelen dat wil zeggen belastingcollecteur.
Hoewel de naam van Pieter van Gilse in verband wordt gebracht met meerdere zilveren voorwerpen in Schiedam en de rekening door hem werd gestuurd aan het gilde, is het maar de vraag of hij daadwerkelijk zelf deze voorwerpen heeft vervaardigd.
De rekening
In 1754 besloot het Schippersgilde van Schiedam een gildebeker te bestellen bij Pieter van Gilse:
“1754 Den 14 feb SHeere. Dekenen en hooftmannen van het schippersgilde der stad: Schiedam Zijn debet Aan Pieter van Gilse voor een Zilvere kelk voor het gemelde gilde 170-14 Voldaan op dato als Bove in S:Dam PvGilse”
(Gilde-archieven Gemeentearchief Schiedam Oud Administratief Archief inv.nr. 3007 en 3015)
In een aanvullende rekening uit 1759 werd een verandering aangebracht aan een ‘Silver Bokaal en een Blasoen. Het blasoen betreft vermoedelijk een nu niet meer bekend zilveren begrafenisschild van het gilde. Wat er in 1759 aan de beker werd veranderd is onbekend. Mogelijk werd toen pas de inscriptie aangebracht.
Het St Nicolaas-of Kramersgilde gaf in 1756 de opdracht om eveneens een beker te laten maken. Het is interessant om het besluit van het Gilde hier nader te bestuderen.
De gezamenlijke hoofden, waaronder Pieter van Gilse, besluiten om 14 zilveren lepels en 14 zilveren vorken te verruilen en daarvoor te laten maken een zilveren bokaal van binnen verguld met het beeld van St. Nicolaas op het deksel en de wapens van de deken en de hoofdmannen erop gegraveerd voor de somma van 52 gulden en 14 stuivers.
Omdat dit gilde in tegenstelling tot het schippersgilde zilver inleverde hoefde zij alleen het maakloon te betalen en niet het zilver. Deze beker heeft de jaarletter Y voor 1757 en draagt het meesterteken ID. Uit de archiefstukken wordt niet duidelijk wie de maker is. In 1795, dus nog voor de opheffing der gilden, werd de beker door Pieter van Gilse van het kramersgilde overgenomen voor de som van 65 gulden.
Eveneens in 1757 werd een zilveren beker geleverd aan het St. Barbara- of Metselaarsgilde. De rekening hiervan is bewaard gebleven en daardoor is bekend dat aan Pieter van Gilse voor deze “beker met een beelt daarop en de wapens daarop gegraveert” een som van 109 gulden en 16 stuivers werd betaald.
De maker
Op alle drie de gildebekers zijn het meesterteken ID, het stadskeur van Rotterdam, het wapen van Holland en een jaarletter aangebracht. Dit meesterteken is zonder twijfel van de Rotterdamse zilversmid Jacobus Johannes Dreux. In de oude literatuur werd hier nog wel eens aan getwijfeld, mede door de Schiedamse werken die aan Pieter van Gilse konden worden toegeschreven. Zo heeft doopbekken in de Grote of St. Janskerk te Schiedam het meesterteken ID. Op de rand is gegraveerd Pieter van Gilse me Fecit (Pieter van Gilse heeft mij vervaardigd).
Vermoedelijk was Pieter van Gilse alleen kashouder en vervaardigde hij zelf geen werk. Ter ondersteuning van deze hypothese werd in het gildeboek van de Rotterdamse zilversmeden in 1745 de vermelding gevonden dat te Schiedam een Pieter Gilot kashouder was. (Zilverschatten 1991, p. 236,237 en p. 224.) Waarschijnlijk is dit een verschrijving en wordt Pieter van Gilse bedoeld. De kashouder was een winkelier die zilver verkocht dat veelal door een ander vervaardigd was. Daarom werd de rekening ook aan Pieter van Gilse voldaan en niet aan de daadwerkelijke zilversmid.
Jacobus Johannes Dreux, de eigenlijke maker van de stukken werd in 1740 poorter van Rotterdam. Hij was afkomstig uit Arnhem. In 1743 huwt hij met Bernardina van Engelen uit Amsterdam. Opmerkelijk genoeg wordt hij pas in 1745 lid van het gilde. Zijn meesterteken ID is op alle stukken die middels rekeningen aan Pieter van Gilse konden worden toegeschreven, te vinden. Hieruit blijkt dat zij in de jaren 50 van de achttiende eeuw nauw samenwerkten (de gildebekers en het doopstel in Schiedam stammen allemaal uit deze periode).
Dreux was deken van het gilde in 1772, 1774, 1776, 1780 en 1784. In 1788 werd hij na zijn overlijden in zijn functie als deken vervangen door Johannes Bitter.
Einde van de gilden
De letter n die in 1795 werd ingeslagen op de bekers van het St Barbara gilde en deze beker, is met betrekking tot het eerstgenoemde gilde goed gedocumenteerd. In 1795 werd bepaald dat al het zilver moest worden ingeleverd. Wilde men het behouden dan diende de waarde van het gewicht in zilver te worden voldaan. Met de ingeslagen letter n (In Rotterdam en omstreken, in andere steden werd een andere letter of teken gebruikt) kon men bewijzen dat het stuk was vrijgekocht. Voor het St Barbaragilde werd de waarde van het zilver bepaald op 53 gulden en 14 stuivers door Pieter Cornelis Dieprijcx, door de municipaliteit van Schiedam benoemd tot taxateur van ongemunt goud en zilver. In de archiefstukken verklaart Dieprijcx dat hij de letter n na betaling heeft ingeslagen.
In 1798 werden de gilden in Holland opgeheven op last van de Fransen. De gemeente Schiedam stelde een commissie in die de fondsen en eigendommen van de voormalige gilden in beheer nam. De bekers van het Schippersgilde en het Metselaarsgilde behoorden tot de goederen die bij deze commissie terecht kwamen. De beker van het Kramersgilde hoorde hier niet bij, omdat deze reeds drie jaar eerder verkocht was door het betreffende gilde aan Pieter van Gilse.
In 1824 of 1825 werden de laatste goederen van de gilden verkocht. Mogelijk zijn toen pas de bekers uit Schiedam verdwenen. Het is echter niet uit te sluiten dat dit al eerder is gebeurd.
Na 1798 is de dekselbeker die sinds 1795 in het bezit was van Pieter van Gilse op enig ogenblik samen met de bekers van het andere gilde geweest. Alle bekers zijn toen vermoedelijk uit elkaar geschroefd, waarschijnlijk om ze te poetsen. Daarna zijn de beeldjes van het St Barbara of Metselaarsgilde en die van het Schippersgilde verwisseld. Dit zal reeds in Schiedam gebeurd zijn. Op de beker van het Metselaarsgilde staat namelijk een Neptunus en op de beker van het schippersgilde een dame met een troffel in de hand.
Daarna zijn de bekers in Engeland terecht gekomen en gescheiden geraakt. De twee bekers in het museum zijn ergens in de negentiende eeuw aldaar, zoals niet ongebruikelijk was, verguld. De beker van het schippersgilde kreeg een inscriptie.
In 1991 kreeg het Stedelijk Museum Schiedam de twee gildebekers ten geschenke van de Bondsspaarbank Schiedam-Vlaardingen. Deze bekers die door de firma Stodel uit Amsterdam werden aangeboden konden door het museum toen niet aangekocht worden wegens een gebrek aan fondsen. Toen de bekers daardoor mogelijk opnieuw naar het buitenland dreigden te verdwijnen ontstond lichte ophef in Schiedam. De Bondsspaarbank besloot de twee bekers te kopen voor naar verluidt ca 135.000 gulden en te schenken aan het museum.
De gildebeker voor het Schippersgilde heeft een andere reis afgelegd. Ook deze beker is in de negentiende eeuw in Engeland terecht gekomen. Begin jaren zestig is zij daar verkocht en via kunsthandel Castendijk te Rotterdam bij een verzamelaar terecht gekomen. De beker is drie keer tentoongesteld. Twee maal in Rotterdam en een maal in Schiedam, net na de verwerving door het museum van de andere bekers.
Literatuur:
Meesters in zilver werk van Rotterdamse zilversmeden, tent.cat Rotterdam 1966, cat.no. 103, p. 33, avec des dimensions incorrectes, identifié à tort comme une coupe de la guilde des maçons
J.M.M. Jansen, ‘Schiedams Gildezilver’ in Scyedam 17e année no. 2 (mai 1991), pp. 48-52.
N.I. Schadee, Zilverschatten, drie eeuwen Rotterdams zilver, tent.cat. Rotterdam 1991, no. 138, p. 100, mentionné erronément comme coupe de la guilde des maçons
Red. S. Louis e.a., ‘De Gouden eeuw van Schiedam 1598-1795’, in Scyedam 23e année (février 1997) édition supplémentaire, p. 24,25
Gevestigd in Oirschot
Nederland