Paar Duitse Chinoiserie Terracotta Malebaren
Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag
Verzendt vanuit Nederland
Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag
Een Chinees lakwerk bureau met opstand dat overduidelijk is gemodelleerd naar een Engels schrijfmeubel met dezelfde vorm en afmetingen, dat kan worden gedateerd omstreeks 1735-1745. Het bureau staat op een rechthoekige basis, met vier licht gewelfde pootjes en is voorzien van vier brede laden. Hierboven bevindt zich de schuingeplaatste klep welke opgeklapt een schrijfblad vormt en toegang geeft tot het interieur met terugliggende laatjes en vakjes. De opstand is gevormd als een rechte kast met twee deuren, waarachter zich een bont interieur bevindt met een velerlei aan deurtjes, vakjes, schuifjes en hekjes, welke visuele verwijzingen zijn naar Chinese architectuur. De kap is gevormd als een Chinese interpretatie op een Engels zogenoemd swan-neck-pediment.
Het bureau is prachtig gelakt in goud en cinnaber op een zwarte verlakte ondergrond. Alle vlakken zijn gedecoreerd met rivierlandschappen met heuvels op de achtergrond en huizen, paviljoenen en bomen op de rotsige oevers. Het front van de kap is versierd met een fijn decor van bloemen en bladeren. De grote rotsformaties zijn gedetailleerd in reliëf, hetgeen de voorstellingen een dramatisch effect geeft en de visuele complexiteit van de voorstellingen verhoogt. Alle grote vlakken worden omrandt door banden van speelse florale motieven, afgewisseld met een fijn kantwerk.
Interessant is het gebruik van stilistische motieven die rechtstreeks geleend zijn van Japanse lak-decoraties, zoals het kantwerk in de omlijstingen van de onderste laden en de zwevende bloemenmotieven in goud. Er zijn vele Japanse voorbeelden met deze kenmerken, waardoor de vraag rijst of dit meubel niet alleen een Engels voorbeeld heeft, maar of het ook niet een “Japanse” indruk moet maken.
Het vroegste goed gedocumenteerde Chinese exportmeubilair lijkt een groep te zijn die in 1735, 1737 en 1738 naar Denemarken werd geïmporteerd door kapitein Guillaume de Brouwer van het schip Sleswig, speciaal besteld door de Deense Oost-Indische Compagnie om te verkopen aan koning Christiaan IV. De bestelling omvatte een schrijftafel, gelakte stoelen en een paar gelakte Schrif Contors (schrijfkastjes), die zich nu in kasteel Fredensborg bevinden. Deze laatstgenoemden zijn ook vergelijkbaar met een in 2020 bij Sotheby’s geveild topbureau, gebaseerd op het klassieke model van de Engelse bureau cabinet, dat populair werd op het vasteland, met name in Duitsland, Scandinavië en Noord-Italië. Interessant is echter dat hun onderste delen geen slingerende façade hebben en licht gebombeerd van vorm zijn, een vorm die minder gebruikelijk is in Engeland en meer typerend is voor Duitse en Deense versies van de bureaukast. Dit toont aan dat de meubelmakers in Kanton de instructies van hun westerse klanten nauwgezet volgden en zich konden aanpassen aan subtiele nationale variaties in Europees meubeldesign. Verdere vergelijkbare voorbeelden zijn een bureau cabinet, verkocht bij Sotheby's New York, 26 oktober 2012, lot 241; deze was eerder verkocht bij Christie's New York, Le Goût Steinitz, 19 oktober 2007, lot 30; een andere uit de collectie van Thyssen-Bornemisza, verkocht bij Christie's Londen, 14 december 2000, lot 340; en een vrijwel identiek exemplaar aan de Steinitz-kast, voorheen in het bezit van Mallett, Londen, geïllustreerd door L. Synge, Mallett Millennium (Londen 1999), p. 133.
Het gebruik van gelakte objecten in het Verre Oosten gaat heel ver terug. Beroemd zijn de gelakte kommetjes uit de graftomben van de vroege Han Dynastie in China (206 BC- 221 AD), maar ook buiten China werd lak toegepast op hout, riet, bamboe, leer en zelfs metaal.
Lak wordt gemaakt van het sap van de lakboom (rhus vernificera of verniciflua, een variëteit van de Sumak) die zijn oorsprong vindt in China en Japan, maar die zich verspreid heeft over de subtropische gebieden van Azië. Het sap wordt afgetapt door inkepingen in de bast te maken en wordt vervolgens gefilterd en ingedikt door het overtollige water te laten verdampen. De overgebleven vloeistof wordt gemengd met pigmenten en aangebracht in dunne lagen die vervolgens worden gedroogd. Lak beschermt tegen vocht, insecten, schimmel en bijna alle chemicaliën, maar de laklaag zelf is vrijwel inert. Door deze laatste eigenschap kan een laklaag dienen voor vele toepassingen, zelfs voor het bewaren van voedsel en dranken.
In Europa kende men de lakboom niet en Westerlingen kwamen pas in aanraking met lak toen de Portugezen in de vijftiende eeuw handel begonnen te drijven met Azië. De Portugezen waren bijzonder verwonderd over lakwerk, dat zich in Japan had ontwikkeld tot een ambacht van hoge ontwikkeling en kwaliteit. Vanaf het midden van de vijftiende eeuw kochten en verhandelden de Portugezen deze Japanse lak objecten niet alleen, ze lieten ook gelakte voorwerpen maken in Japan naar westerse modellen en specificaties. Deze voorwerpen gedecoreerd met goud op een zwarte ondergrond en ingelegd met parelmoer werd Namban genoemd, lakwerk gemaakt voor de ‘Westerse buitenstaanders’.
Als de Nederlandse Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) het Aziatische toneel betreedt, kort na 1600, wordt ze al snel een concurrent van de Portugezen. In heel Azië worden handelsposten opgericht, inclusief in Japan. Namban-lakwerk werd een van de handelsartikelen van de VOC, maar dit sloeg aanvankelijk niet erg aan in Nederland. Als echter, zo rond 1630, een meer Japanse stijl van decoreren wordt toegepast, zonder het parelmoer, maar met afbeeldingen in goudlak van landschappen, dieren, figuren en Japanse architectuur, neemt de interesse in het Westen toe. De Hollanders maken goede winsten met de exotische Japanse lakobjecten op hun veilingen in Amsterdam en Zeeland. Dit was niet alleen te danken aan het feit dat lakwerk uit Japan werd gezien als het hoogst in kwaliteit, maar ook aan het gegeven dat ze de enige Westerlingen waren die handel met Japan mochten drijven, vanaf het kunstmatige eiland Deshima in de baai van Nagasaki. Behalve exclusieve gelakte dozen, borden en kommen in Japanse vormen en met Japanse decoraties, bestelde de VOC bij de lakwerkers in Nagasaki en Kyoto ook lakobjecten met Westerse decoraties en ontwerpen, zoals rechthoekige kabinetten met laden achter de deuren, koffers met gewelfde deksels, kisten met platte bovenkant en zelfs tafels en stoelen. Aan het eind van de zeventiende eeuw kwam aan deze handel langzamerhand een eind. Dit was niet omdat de interesse naar lakobjecten was teruggelopen, maar de grote en luxueuze objecten werden simpelweg te duur, waardoor de winsten verdampten. Na ca. 1700 werden door de VOC geen grote kabinetten – de meest populaire meubelstukken – meer besteld en de zelfstandige kooplui konden zich zelden veroorloven om deze stukken zelf te kopen. De VOC liet de handel in lak voor wat ze was, maar de interesse bij het publiek verschoof naar kleinere lakobjecten, in hoofdzaak dozen, borden, kommen, opbergkistjes voor pijpen en bestekkisten. In de vroege achttiende eeuw heeft de handel in Japans lakwerk zijn belang verloren.
Op dit moment verschijnt China op het toneel. Aan het eind van de zeventiende eeuw ontwikkelt de mode van het theedrinken zich snel in West-Europa en om aan de vraag te voldoen zijn enorme hoeveelheden van de gedroogde theebladen nodig. Thee groeide toen nog alleen in China; dus de Europeanen kwamen naar het Hemelse Keizerrijk om verse zwarte en groene thee te kopen in Kanton (nu Guangzhou), het belangrijkste handelscentrum in het zuiden, liggend aan de Parelrivier in de provincie Guangdong.
De Fransen en de Engelsen ontwikkelden een georganiseerde en regelmatige handel met China na 1700; de VOC volgde in 1728. Naast thee kochten de handelaren ook zijde, zijden kleding, porselein en allerlei snuisterijen die we heden ten dage “Chinese exportkunst” zouden noemen. Dit waren onder anderen ivoren, waaiers, spekstenen beeldjes, poppen en – in de tweede helft van de eeuw – schilderijen en gouaches. Ook lakwerk was gevraagd. Het merendeel van deze objecten werd gekocht als souvenir of voor de particuliere handel; de Europese handelscompagnieën hielden zich hier nauwelijks mee bezig. Chinees lakwerk had vaak de vorm van kleine objecten zoals, scheerbekkens, naaidozen, theekistjes, dienbladen, kommen, spiegellijsten etc. Grote lakobjecten voor de export, zoals grote kabinetten met glazen deuren en laden, kasten, tafels, stoelen, kisten en schrijftafels zijn aanmerkelijk zeldzamer. Zulke stukken werden vaak privé gekocht; de objecten die bijvoorbeeld door de kapiteins van de Deense Oost-Indische Compagnie (Dansk Østindisk Kompagni) werden besteld in de jaren dertig van de achttiende eeuw zijn zeer goed gedocumenteerd en deels zelfs bewaard gebleven in het koninklijk paleis in Kopenhagen. Aan het eind van de achttiende eeuw werden door de Amerikanen die handel dreven met Kanton zelfs een variëteit aan gelakte meubels gekocht, waarvan een deel is gedocumenteerd, zoals een aantal objecten in de collectie van het Peabody Essex Museum in Salem (Mass., USA).
Literatuur:
T. Clemmensen, 'Some Furniture Made in China in the English Style, Exported from Canton to Denmark, 1735, 1737 and 1738', Furniture History XXI, 1985, p. 174-180
Carl L. Crossman, The Decorative Arts of the China Trade. Paintings, Furnishings and Exotic Curiosities, Woodbridge 1991
O.R. Impey & Christiaan Jörg, Japanese Export Lacquer 1580-1850, Amsterdam 2005
Treasures of Imperial China. The Forbidden City and the Danish Court, exhibition catalogue Christiansborg Palace, Copenhagen 2006