Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag
Verzendt vanuit Nederland
Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag Prijs op aanvraag
Uurwerk
Het uurwerk heeft een veertiendaags gaandwerk met een anker-echappement. Het slagwerk op sluitschijf slaat de hele en halve uren op een enkele bel. Door middel van een radarwerk en een centrale as op de achterplatine, worden ook de wijzers op de achterzijde aangedreven. De veren zijn gedateerd in gravering: Juin 1779. De achterste afgeplatte platine draagt ook de signatuur Imbert Lainé AParis. De uren zijn aangeduid met Romeinse cijfers en de minuten met Arabische cijfers. De beide emaille wijzerplaten zijn gesigneerd Imbert Lainé A Paris in rood.
Het ontwerp van de klok is gebaseerd op een marmeren pendule van Etienne Maurice Falconet (1716-1791) uit circa 1770, die zich sinds 1911 in de collectie van het Musée du Louvre in Parijs bevindt. De marmeren pendule aux cercles tournants is als model zeer vergelijkbaar, met de drie Gratiën elegant gepositioneerd rondom een zuil, staand op een rechthoekig basement. Een belangrijk verschil is echter dat de pendule in het Louvre, en de vele kopieën die hiernaar gemodelleerd zijn, alle zijn uitgevoerd met een zogenaamd cercles-tournants wijzerplaat. De hier beschreven pendule is voorzien van een centraal geplaatste trommel met daarin het uurwerk, waar men aan beide zijden van de trommel de tijd af kan lezen, ofwel; à double face, hetgeen zeer zeldzaam is.
Etienne Maurice Falconet
Falconet was aanvankelijk in de leer bij een timmerman, totdat de beeldhouwer Jean-Baptiste Lemoyne kleifiguren van Falconet zag en hem uitnodigde om bij hem in de leer te gaan. Dankzij een beeld van Milo van Croton werd hij in 1754 toegelaten tot de Académie des Beaux-Arts. Hij was een van de eerste beeldhouwers van de rococo.
Op de Parijse salon van 1755 kwam zijn werk onder de aandacht van een breder publiek. Madame de Pompadour zag zijn ontwerp voor L'Amour menaçant en vroeg hem het beeld in marmer uit te werken. In 1757 was het beeld voltooid en kon Falconet het tentoonstellen op de salon. Er werden meerdere kopieën van het beeld gemaakt; het origineel bevindt zich nu in het Rijksmuseum in Amsterdam.
Falconet werd, mede dankzij Madame de Pompadour, in 1757 directeur van het atelier van de Manufacture Nationale de Sèvres, een porseleinfabriek in Sèvres. In 1766 werd hij door Catharina de Grote uitgenodigd om naar Sint-Petersburg te komen. Hij maakte voor haar een standbeeld van Peter de Grote, bekend als de Bronzen Ruiter. Hij werd hierbij bijgestaan door zijn leerlinge en schoondochter Marie-Anne Collot. In 1778 keerde hij terug naar Frankrijk, nog vóór de voltooiing van het ruiterstandbeeld. Hij werd daar directeur van de Academie van Parijs. Naast zijn werk schreef Falconet een aantal verhandelingen over kunst.
Imbert L’Aîné
Het uurwerk is gemaakt door Jean-Gabriel Imbert, bekend als Imbert l'Aîné (1735-1795). Voorbeelden uit zijn uitzonderlijke oeuvre zijn nu te zien in het Musée de Carnavalet in Parijs, het Patrimonio Nacional in Spanje, het Residenzmuseum in München en het Palazzo Reale in Turijn. Geboren in Devalon in de Bourgogne, vertrok hij naar Parijs, waar hij als compagnon voor zijn zwager Jean-Charles Olin werkte. Hij werkte eerst als ouvrier-libre voordat hij in 1776 tot maître werd benoemd en, als bewijs van zijn reputatie, in 1780 tot deputé van zijn gilde werd benoemd. Vier jaar later werd hij failliet verklaard, maar dit belette hem niet om zijn bedrijf voort te zetten. Zijn jongere broer Jean-Edme, bekend als Imbert le Jeune (1741-1808), die nooit tot maître werd benoemd, werkte jarenlang met hem samen op zijn verschillende adressen. In 1767 was Imbert l'Aîné gevestigd in de Carrefour de la Roquette, in 1781 in de rue Planche-Mibray, drie jaar later in de rue des Arcis en bij zijn overlijden in juni 1795 in de rue de Monceau.
Als een van de besten in zijn vak maakte hij gebruik van de beste leveranciers, waaronder Richard en Gaspard Monginot, die zijn veren maakten, terwijl zijn wijzerplaten over het algemeen werden vervaardigd door Georges-Adrien Merlet, Elie Barbezat of Bezelle. Zijn kasten werden vervaardigd door diverse Parijse fondeurs, met name Robert en Jean-Baptiste Osmond, Nicolas Bonnet, Michel Poisson, Jean Goyer, René-François Morlay, Léonard Mary en François Vion, terwijl sommige werden verguld door Le Cat en H. Martin. Vanwege hun superieure kwaliteit werden de klokken van Imbert l'Aîné verworven door de rijkste lagen van de bevolking, zoals de markies de Brunoy en de hertog van Deux-Ponts. Galleries in New York.
Edgar Brandt
Edgar William Brandt (1880 –1960) was een Franse ijzerbewerker en productief wapenontwerper. In 1901 vestigde hij een kleine werkplaats aan de Rue Michel-Ange 76 in het 16e arrondissement van Parijs, waar hij begon met het ontwerpen, zilversmeden en smeden van kleine voorwerpen zoals sieraden, kruizen en broches. Zijn bedrijf begon te bloeien met speciale opdrachten zoals de deur van de Franse ambassade in Brussel, de Escalier Mollien-trap in het Louvre en de trap- en balkonleuning voor het Grand Theatre Municipal de Nancy. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914 werd Brandt opgeroepen voor zijn dienst. Brandts carrière bereikte een hoogtepunt in de jaren 20. Stijlvolle entrees voor winkels in Parijs en verlichting vormden een belangrijk onderdeel van zijn productie. Bovendien trok hij, met de opkomst van radiatoren in woningen, de aandacht met elegant ontworpen afdekkingen in plaats van ze te verbergen. Gedurende de rest van zijn carrière varieerde zijn werk van ijzeren hekken en haardgrills tot consoletafels. Zijn bedrijf met meer dan 3000 werknemers werd in 1936 genationaliseerd. Enkele jaren later dwong de Tweede Wereldoorlog hem met zijn gezin naar Zwitserland te vluchten. Aan het einde van de oorlog in 1945 keerde Brandt terug naar Frankrijk, maar hij besloot zijn studio niet te heropenen. In plaats daarvan werkte hij aan kleine projecten tot aan zijn dood in 1960.
Drie Gratiën
In de Griekse mythologie zijn de Chariten, ook wel de Gratiën genoemd, godinnen die schoonheid en gratie personifiëren. Volgens Hesiodus waren de Chariten Aglaea, Euphrosyne en Thalia, de dochters van Zeus en Eurynome, de dochter van Oceanus. Meestal worden de Gratiën beschreven als de dienaren van verschillende goden en godinnen, met name Aphrodite. In de Romeinse en latere kunst worden zij doorgaans naakt afgebeeld als een ineengestrengelde groep, maar tijdens de Archaïsche en Klassieke periodes van Griekenland werden ze meestal volledig gekleed afgebeeld in een rij, met dansposes.
Gevestigd in Oirschot
Nederland